De dood fietste vandaag weer eens mee in de Giro d’Italia. Het overlijden van de jonge Belgische wielrenner Wouter Weylandt maakte de dag van vandaag tot een diep treurige in de geschiedenis van de wielersport. Voor even zijn alle dopingperikelen vergeten. Het leed dat de Passo del Boco vandaag heeft aangericht is vele malen groter dan clenbuterol ooit zou kunnen bewerkstelligen.
De gedachten gaan gelijk terug naar Fabio Casartelli. In de Tour de France van 1995 verongelukte de Olympisch kampioen van Barcelona in de afdaling van de col de Portet d’Aspet. De beelden van een levenloze Casartelli, badend in zijn eigen bloed, schokte de huiskamers.
En zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen. De bekendste zijn waarschijnlijk Andrej Kivilev (Parijs-Nice, 2003) en, voor de wat oudere lezers, Tommy Simpson die in 1967 op de flanken van de Mont Ventoux het leven liet.
Naast het lijstje dodelijke ongevallen is het rijtje ongelukken met botbreuken, gebitsverwoestingen en ander vreselijk letsel nog vele malen groter. Er bestaat geen wielrenner die nog nooit hard tegen het asfalt gesmakt is.
Het geeft maar weer eens aan wat voor een bizarre sport wielrennen eigenlijk is. Een sport waarin de renners hun lichamen steeds maar weer tot het uiterste dwingen en en passant hun eigen leven in de waagschaal stellen. Het vergt durf en doorzettingsvermogen om coureur te zijn. In een wedstrijd als de Giro is het bergop sterven en hopen dat je in de afdaling niet daadwerkelijk het loodje legt. Gelukkig gaat het vaak goed, maar vandaag helaas niet. Weylandt heeft wielergeschiedenis geschreven met de zwartst mogelijke inkt. Wel heeft hij er voor gezorgd dat het respect voor de wielrenner in het algemeen weer een stukje is gegroeid. Voor wat het waard is natuurlijk.
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)

Mooi column ! Heel sterk begin , spijtig dat hij wat verzwakt naar het einde toe.
BeantwoordenVerwijderen